De Bourgondiërs

Bart van Loo, De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Landen. Amsterdam, 2019.

De ondertitel van het boek, ‘Aartsvaders van de Lage Landen’, is startpunt en eindpunt van het verhaal dat Van Loo vertelt. Als jongen leest hij over de geschiedenis van zijn land, België, waarbij het uitgangspunt is dat ‘België’ altijd al bestaan heeft. Aan het eind komt hij uit bij Karel V, naar eigen besef in de eerste plaats Bourgondiër, maar gezien zijn positie vooral de eerste Habsburger en daarmee het eindpunt van de Bourgondische periode. Het einde van de Bourgondische periode is ook het einde van de eenheid van Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden. Als oorzaak voor de definitieve scheiding ziet Van Loo vooral de reactie van Karel V en Philips II op de opkomst van het protestantisme. Tot die tijd vormden ‘de lage landen bij de zee’ een min of meer samenhangende regio, waarbij de samenhang vooral vertegenwoordigd werd door het Bourgondische vorstenhuis.

Het vergeten millennium

Het eerste deel omvat de periode tussen de entree van ‘Bourgondiërs’ in het West-Europese grondgebied, een Germaanse stam, die in 406-7 de Rijn overstak, als deel van de volksverhuizingen, tot het aantreden van Filips de Stoute in 1342, als Bourgondië een zelfstandige tak van het Franse koningshuis wordt. Het eerste Bourgondische wetboek, de invallen van de Arabieren vanuit het Iberisch schiereiland, de Karolingische periode met onder andere Karel de Grote, de invallen van de Vikingen die Noormannen / Normandiërs worden, het ontstaan van Bourgondië als hertogdom als leen van de Franse koning, de toenemende invloed van kerken, priesters en pausen, alles komt langs.

Filips de Stoute

In de periode van Filips de Stoute (1342-1404) wordt dan de grondslag gelegd voor de groei van Bourgondië tot een belangrijke regionale macht.  In deze periode komt de eerste bundeling van wat later ‘de lage landen bij de zee’ zullen worden tot stand, waarbij voorlopig de twee delen, het Franse Bourgondië en het noordelijke Vlaanderen, Holland enzovoort geografisch nog niet met elkaar verbonden zijn.

In deze 14e eeuw is  er in de lage landen, net als overigens elders in Europa, vaak strijd tussen de opkomende steden en de aristocratie met hun feodale arrangementen. Gent is de leider van de stedelijke factie, de oorlog waarin de conflicten uiteindelijke worden uitgevochten is dan ook de geschiedenis ingegaan als ‘Gentse oorlog’. Gent is de verliezer en dan is het volgens Van Loo wachten op de Franse revolutie voordat de stedelijke bourgeoisie weer aan de beurt is. Het komt me voor als een wel erg grove verplatting van een altijd precaire verhouding tussen deze twee ‘standen’.

De opvolger van Filips de Stoute is Jan zonder Vrees (1404-1419) die vooral verwikkeld raakt in intern Franse strubbelingen en hierin door een moordaanslag zijn einde vindt.

Filips de Goede

Dan is het de beurt aan Filips de Goede, die vooral diplomaat is en oorlog voert om aan de onderhandelingstafel te geraken en daar een goede uitgangspositie te  verwerven. Zo weet hij via kopen, uitkopen, postuleren van erfrechten etcetera het gebied aaneengesloten te krijgen. Ook in de relatie met de steden weet hij grotendeels gewelddadige conflicten te vermijden. Hij zet een proces van staatsvorming en centralisering in, waarbij hij aan stedelijke elites steeds de nodige concessies doet. De steden vormen de economische motor van het gebied, met name de Vlaamse, en de oude adel is door het nutteloos worden van de ridders als militaire macht en het toch uit willen vechten van dure, maar zinloze oorlogjes, feitelijk economisch failliet. De bestuurlijke functies worden steeds meer door professionals in plaats van edellieden ingevuld en zo vervagen de scheidslijnen tussen stedelijke elites en oude adel.

Het Bourgondische hof vaagt door deze ontwikkeling feitelijk alle andere hofhoudingen weg. Het hof is een enorm reizend circus. Dat reizen van het hof is nodig om de hertogelijke macht, die door groei van het machtsgebied steeds verder weg lijkt te staan, zichtbaar te houden voor de bevolking. Hij moet zich wel laten zien, onderdanen willen hem met eigen ogen kunnen aanschouwen.  Er wordt een Hofraad ingesteld, met als chef een kanselier die deze functie 40 jaar lang bekleedt. Hij is dé adviseur en vertrouweling van Filip. Deze Hofraad, met 45 leden, reist mee met het circus. De stedelijke elite gaat de hertogelijke stijl na-apen: decorum wordt steeds belangrijker, Van Loo typeert dit Bourgondië als ‘theaterstaat’. Hij gaat zich te buiten aan het schetsen van de ‘voorstellingen’, met name eet- en drinkgelagen die opgedist worden met bijna  carnavaleske praalwagens, vol technische snufjes waarmee gedaantewisselingen en verrassende verschijningen opgedist worden.

Centraliserende stappen

Ondertussen, en door dit theater ondersteund, vindt er ook centralisering en professionalisering van het bestuur plaats. Van de Hoge Raad splitst zich een Grote Raad af, die functioneert als Hooggerechtshof. In de regio’ s komen rekenkamers die de inkomsten en uitgaven van baljuws, rentmeesters en tollenaars controleren. Aan het hoofd staat een algemeen gouverneur van financiën.

De raden, de centrale en de stedelijke of regionale, worden steeds minder bemand met edelen, steeds meer met professionals. Om deze specialisten op te leiden worden twee universiteiten gesticht. Dit proces versterkt de vermenging van burgerlijke en adellijke elites, hoge ambtenaren worden door Filips in de adelstand verheven, en de adel is door gebrekkige scholing vaak de verliezende partij. Als stand blijft de adel wel intact tot de Franse Revolutie, maar hun militaire en politieke functies raken ze feitelijk kwijt. Ze leeft vooral voort in de ridderliteratuur.

Economische processen ondersteunen de centralisering: Brabantse en Hollandse steden pleiten met succes voor één munt. Ter afstemming van de buitenlandse economische politiek vindt er steeds meer interregionaal overleg plaats.

De rekenkamers proberen de belastinginning te reguleren. Voor een ‘bede’, een vraag om een specifieke belasting in te kunnen voeren, moet Filip met argumenten komen, hij kan het niet zomaar opleggen. Zijn poging om een vaste eigen inkomstenbron te krijgen in de vorm van een Zoutbelasting mislukt.

In de periode 1440 tot 1467 leefden de Lage Landen zichtbaar vreedzaam en welvarend, onmiskenbaar de verdienste van Filip. Filip voert ook het idee van Staten in: een bijeenkomst van de drie standen. Maar er kwam niet zoals in Frankrijk een Staten-Generaal,  het bleef regionaal.  Een bijeenkomst van de Staten-Generaal was er alleen incidenteel, bij bijzondere gelegenheden.

Er zijn meer beperkingen aan het centraal bestuur: nepotisme en daarmee de corruptie viert hoogtij. Filip gaat om geld te genereren ambten verpachten, maar deze politiek verzwakt hem feitelijk, hij verliest controle over de uitvoering. Er is wel veel economische vervlechting tussen de gewesten, maar elk houdt zijn eigen karakter. Het lijkt de EU wel, zo valt ook Van Loo op.

Het fatale decennium, 1467 – 1477

De zoon van deze Filip is Karel, die een duidelijk minder succesvol regeerder is. Hij is autoritair en eigenwijs. Hij voert oorlog met Frankrijk en treedt wreed op tegen opstandige steden. De terreur kweekt vooral haat. Hij erft gebieden in het Duitse Rijk, en jaagt een tijd op een koningstitel, tevergeefs.

Karel zet wel stappen in interne inrichting van het hertogdom. De Grote Raad wordt Parlement en hooggerechtshof. Hij wil dat dit op gelijke voet staat met het Franse hooggerechtshof, maar juridisch heeft het alleen zeggenschap in de noordelijk gewesten. Daar wordt  het wel echt een hof van beroep. Lokaal heersen schepenbanken, gebaseerd op gewoonterecht. Karel gaat hier eigen mensen neerzetten en schrijft heel veel juridische verordeningen. Voor de belastingen probeert hij uniforme heffingsmethode in te voeren.

Hij voert een dwaze en zinloze belegering van Keulen uit, hij begint een oorlog tegen de Zwitsers en sterft daar eerloos. Lodewijk, koning van Frankrijk, verovert onmiddellijk het oude Bourgondische hertogdom en Franche-Comté. De Noordelijke gewesten willen Maria, dochter van Karel, wel trouw blijven, maar eisen daarvoor veel rechten terug, elk gewest weer andere. De Staten-Generaal krijgt het recht te beslissen over oorlog en vrede en over belastingen en dit wordt vastgelegd in het ‘Groot  Privilege’, feitelijk de eerste grondwet voor dit gebied. Luik en Gelre maken zich los, maar de rest wil samen Bourgondisch blijven.

Entree van de Habsburgers

Maria van Bourgondië  is gehuwd met Maximiliaan van Oostenrijk, i.p.v. met de Franse kroonprins, zoals eerst het plan was. Ze wilde dat Bourgondië zelfstandig van Frankrijk bleef en verwachtte dat Habsburg haar daarbij kon helpen. Maar in 1482 verongelukt  Maria en deze Maximiliaan wordt regent voor hun zoon van dan 4 jaar oud. Maximiliaan bemoeit zich niet veel met deze gewesten, de Staten Generaal zijn feitelijk  de baas.

In 1492 wordt Maximiliaan Duits keizer en de dan inmiddels 15-jarige Filip hertog van Bourgondië. Deze kiest goede adviseurs en is uit op vrede voor zijn hertogdom. De Staten-Generaal functioneert, het Mechels Parlement wordt als gerechtshof hersteld, er heerst in het algemeen een kalm evenwicht tussen het gewestelijke en het centrale niveau.

Maximiliaan wil een verbintenis met het opkomende Spanje en arrangeert een dubbelhuwelijk van zijn kinderen. Filip trouwt Johanna van Aragon en Castilië en deze verbintenis is achteraf gezien de belangrijkste dynastieke koppeling van het millennium. Filip en Johanna krijgen zes kinderen. Erfopvolger is Karel V. Alle andere Spaanse erfopvolgers zijn al gestorven als hij aantreedt en zo wacht hem een immens rijk.

Ondertussen begint de Conquista van Amerika en in Europa de Reformatie. Het rijk van Karel V is een veeltalig rijk. Frans blijft voor hem de belangrijkste taal, daarom heeft hij volgens Van Loo minder invloed in het noorden.. Hij voelt zich in de eerste plaats Bourgondiër. Hij brengt de graven van zijn voorouders naar Brugge over, verovert ook het Noorden en het worden de 17 Provinciën. De oude geografische aanduiding van ‘de lage landen bij de zee’ is door de Bourgondiërs een politieke, monetaire en juridische eenheid geworden.

Van Loo neemt Karel V nog helemaal mee in zijn laatste deel, ik sla dat hier over omdat ik een dik boek over deze Karel klaar heb liggen en het daarom hier graag laat bij Van Loo’s typering van hem als laatste Bourgondiër.

Tot slot

In een aantal besprekingen van dit boek wordt als voornaamste verdienste en inzet van het boek genoemd het inzicht dat niet Willem van Oranje, maar de Bourgondiër Filips de Goede de aartsvader van de Nederlanden is.  Dat mag qua marketing een aantrekkelijke boodschap zijn, maar dit is niet een stelling in het boek. Juist de in het begin genoemde waarneming van Van Loo dat het einde van de Bourgondische periode ook het einde van de eenheid van Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden is maakt voor de noordelijke Nederlanden, de Zeven Provinciën, Willem van Oranje juist wél de ‘vader des vaderlands’. Ik weet eigenlijk niet of de Belgen in hun geschiedenis zo iemand aanwijzen, of daarover discussiëren, daar zou ik nog wel eens een boek voor willen openslaan.

Voor mij is Van Loo meer een verhalenverteller dan een geschiedschrijver. Zijn stijl is barok, sommigen waarderen dit zeer, maar ik – duidelijk van boven de rivieren – niet. De beeldspraak is soms uitgesproken lelijk in plaats van beeldend en bespeelt registers die in een verder doorwrocht werk misplaatst lijken. Want doorwrocht is het zeker. Hij heeft zijn huiswerk gedaan, maar heeft er ook moeite mee om al die feiten en feitjes die hij verzameld heeft, vooral van klein-politieke, dynastieke en militaire aard, in een samenhangend geheel onder te brengen. De grote indeling, van eerst een millennium, dan een eeuw, vervolgens een decade en tenslotte een jaar is een vinding en werkt goed, maar daarbinnen verdrinkt de lezer samen met de schrijver in details waar het lastig blijkt goed zicht op de hoofdzaken te houden.

Onderhoudend voor mij is zijn aandacht voor etymologie, en voor meer visueel en kunsthistorisch ingestelden zal zijn aandacht voor architectuur,  beeldhouw- en schilderkunst dat zijn.

Voor een historicus biedt het boek eigenlijk te weinig, het geeft geen door concepten ondersteund dieper inzicht in de ontwikkelingen, en voor de geïnteresseerde leek biedt het wellicht teveel: een vloed van feitjes, namen, veldslagen, hertogdommen en graafschappen, waarbij de grote lijn ‘hoe kwam er samenhang in de Bourgondische gebieden’ uit het zicht verdwijnt.

Mijn eindoordeel over het geheel hangt daarmee tussen gematigd positief en gematigd negatief in. Wellicht dus gewoon een ‘matig’  boek.